In het stadion de dingen afwachten

De razzia van november ‘44 ontwortelde 50.000 Rotterdammers
De ‘dagelijksche vergoeding’ zou bestaan uit ‘goeden kost, rookartikelen en vijf gulden’. Bovendien zou voor de achterblijvende familieleden worden gezorgd. Maar menens was het ook. Want, zo gaf het bevel te verstaan, ‘op hen die pogen te vluchten of weerstand te bieden zal worden geschoten’.
Jaap Folst heeft een kopie van het papier dat hij op 10 november 1944 door een Weermachtsoldaat in handen kreeg gedrukt. Hij was een van de jongeren van de 50.000 Rotterdammers tussen de 17 en 40 jaar, voor wie op die dag de oorlog een ongedroomd staartje kreeg. Zij werden weggevoerd om als dwangarbeider in Duitsland te werken. Die tiende november, zestig jaar geleden, ging de geschiedenis in als de ‘Razzia van Rotterdam’. 

Terugkijkend op de gebeurtenissen van destijds weet Jaap Folst bijna zeker, dat heel wat oude Rotterdammers deze episode in hun leven niet of nauwelijks hebben verwerkt. Het blijkt uit de vele brieven en e-mailtjes die hij, als organisator van de razzia-herdenking in het Feijenoordstadion, kreeg en krijgt. Veel mannen die zijn weggevoerd hebben nooit hun verhaal kunnen vertellen. Direct na hun terugkeer had het thuisfront genoeg aan de eigen sores. En nadien moest er worden aangepakt en zeker niet geëmmerd over de akelige tijd die nu voorbij was. Zodat de lotgenoten van toen nog steeds reden genoeg hebben om elkaar tijdens een reünie op te zoeken, zoals in het stadion waar ze ooit vol angst de dingen die komen gingen hebben afgewacht.

Onheilspellend
Het is koud die dag. Een blauwe hemel, maar later zal het betrekken en gaan regenen. Jaap Folst woont aan de Beijerlandselaan en stapt om half acht de deur uit. Niet om naar het werk te gaan. De Duitsers hebben de werf van Piet Smit, waar hij werkt, grondig gesloopt en zijn bezig ook de kademuren te vernielen. Daar heeft Jaap dus niks meer te zoeken. Amper op straat merkt hij dat er iets gaande is, iets onheilspellends. Mannen komen uit voordeuren met een koffer of een doos, sommigen ook met een dekenrol. Een Duitse soldaat houdt hem staande, geeft hem een pamfletje en stuurt hem terug. ‘Bevel’ staat er bovenaan het papier. Jaap moet warme kleren halen, een deken, een mes, een vork, een lepel. En brood voor een dag. En weer naar buiten komen.
Als er zo’n twintig mannen en jongens bij elkaar zijn gaan ze lopen. Het groepje groeit aan uit zijstraten. Op de Stadionweg zien ze uit andere richtingen meer groepen mannen op weg richting stadion Feijenoord.
‘Het stadion was één van de verzamelpunten in de stad’, zegt Jaap Folst. ‘Andere punten waren bijvoorbeeld tramremises, ruimtes dus waar je veel mensen geconcentreerd kan vasthouden. Wij werden het veld opgedreven en dat was het voorlopig. Je kan niet eens zeggen dat er veel soldaten waren. We zagen de mitrailleursposten op de bordessen om ons heen en bemand door kleine eenheden soldaten; dat was voldoende. Met hoeveel we waren? Zoveel, dat we niet tegen elkaar geperst stonden, maar ook niet konden zitten. Duizenden dus.’

Een warme sjaal
Het wachten begon. En de tijd, zegt Folst, zorgt voor een groeiend onbehagen. Je hebt geen idee van waar dit heengaat. Het gebeurde in de laatste oorlogsjaren wel vaker, dat mannen werden opgepakt en voor een of ander karwei, zoals het ingraven van palen in een weiland als afweer tegen luchtlandingen, een dag of twee, drie niet thuis kwamen. Maar dat je weggevoerd kon worden naar Duitsland kwam bij niemand op.
Halverwege de middag ontstond beweging op het veld. De mannen gingen met z’n allen op in een colonne, richting Oranjeboomstraat.
Intussen had Jaaps vriendinnetje, net als honderden andere vrouwen, al uren kleumend voor het hek rond het stadion doorgebracht. Zij, inmiddels zijn 78-jarige vrouw, wilde Jaap met alle geweld zijn warme sjaal brengen die hij vergeten had. Later waren de vrouwen weggestuurd.

Over het IJsselmeer
‘Aan het eind van de Oranjeboomstraat lagen rijnaken. Wij werden de ruimen ingestuurd. Tussen de ijzeren binten klotste het water. Uren en uren heb ik wijdbeens op twee binten gestaan. ’s Avonds voeren we weg. De ochtend erop bleken we ergens in het Amsterdamse havengebied te zijn. We werden in een veemgebouw opgesloten, kregen bergen stro en brood met kaas. Daar, dachten we, zouden we dus wel even blijven. Maar dat was niet zo. De rijnaken verdwenen, er kwamen kleine oorlogsbootjes, die wij ‘voorpostenboten’ noemden, voor in de plaats en daarmee brachten ze ons in de nacht over het IJsselmeer naar Kampen.’
‘Die zondagmorgen vergeet ik niet. Wij moesten uren aan dek staan, in de druilerige regen, wachtend op… ja, op wat? In de middag marcheerden we dan eindelijk naar Wezep, naar een opleidingskamp dat nu de Margrietkazerne heet.’
‘Pas had je die gijzeling in een school in de Kaukasus. Verschrikkelijke beelden. Al die mensen, die kinderen in dat ene lokaal, die niet mochten bewegen. Op zo’n moment beleef je opnieuw hoe jij daar in dat kamp met vierhonderd man op elkaar gedreven tien dagen in een recreatiezaal hebt doorgebracht. Dat kun je je niet voorstellen, als je het niet hebt meegemaakt.’

Geweersalvo
De laatste etappe van Jaaps reis begint op het station van Wezep. Met veel vertoon van haast en ongeduld worden de mannen een trein met veewagons ingejaagd. Voor het eerst heerst er chaos. Er wordt geschreeuwd en er vallen schoten.
Al in het stadion is Jaap een vriend van hem tegen het lijf gelopen en met een oudere buurman van zijn vriend zijn ze bij elkaar gebleven. In het kamp in Wezep is het Jaaps vriend gelukt een briefje aan zijn vader naar buiten te smokkelen. Die vader is naar Wezep gereisd en ontmoet op het station zijn zoon. In de grimmige sfeer van het moment is er maar één uitweg voor de vader: met zijn zoon mee de veewagon instappen. Maar de man overtuigt de jongen ervan dat zij hun kans moeten wagen. Ze springen tussen de wagons en worden met een geweersalvo gedood.
Na uren wachten trekt de trein eindelijk op. De andere morgen staan ze stil in Enschede, naast een trein geladen met pantserwagens die deelgenomen hebben aan de slag om Arnhem. De mannen bij het ijzeren luikje, het enige oog op de buitenwereld, merken hoe de Enschedese bevolking lucht heeft gekregen van hun penibele situatie. Er wordt voedsel gebracht, veel voedsel. Want Jaap herinnert zich dat hij een heel brood voor zichzelf heeft. Wat een rijkdom.

Plat gebombardeerd
Nog eenmaal rijdt de trein in de nacht. Dan zijn ze in Essen-Steele in het Ruhrgebied. Alle wagons gaan open. De mannen wankelen naar buiten. Jaap ziet dat op de wagons met krijt plaatsnamen geschreven zijn. Verre namen, zoals Berlijn, München en Dresden, maar toevallig staat er op de nabije wagon Essen. Wat hem betreft hoeft de reis niet langer te duren en hij manoeuvreert zich in de groep die met een burgermeneer uit Essen meegaat. Het wordt een wandeling met een veertigtal mannen door een troosteloze, plat gebombardeerde omgeving, naar wat later blijkt een villa te zijn aan de Bismarckallee. Het wordt hun slaapadres. Overdag zijn ze in dienst bij de zogenaamde Bahnmeisterei en werken ze aan het spoor. Dat wil zeggen dat ze na een luchtaanval de rails moeten herstellen en voor het overige moeten puinruimen.
‘Op 24 maart’, vertelt Jaap Folst, ‘maakten we het laatste bombardement mee. Daarna was er niets meer. Niets meer om kapot te gooien, niets dat het nog deed of reed of werkte. We werden aan ons lot overgelaten. Veertien dagen later waren de Amerikanen in Essen. De dag erna besloten wij als groepje naar
huis te gaan lopen. Dat Rotterdam nog niet was bevrijd, daar hadden wij geen idee van.’

Hoeveel er van de 50.000 Rotterdammers, die toen werden weggehaald, nooit zijn teruggekomen is onbekend. Er zijn er omgekomen door de bombardementen op Duitse steden waar zij hun dwangarbeid verrichtten. Er zijn er van ontbering gestorven. Er zijn er doodgeschoten, zoals Jaaps vriend en diens vader. Jaap Folst heeft e-mails gekregen in de trant van “ik was vier jaar oud toen mijn vader in 1944 werd meegenomen; hij is nooit teruggekeerd.’

Er moeten, kortom, duizenden stadgenoten zijn voor wie de razzia van november 1944 en het vervolg erop nog altijd een realiteit zijn, een beeld dat niet vervaagt al vliegen ook de jaren.

Terug naar overzicht